Projecten

Onderzoeksprojecten

Sig biedt momenteel ondersteuning aan in totaal 12 onderzoeksprojecten. Thema’s van onderzoek variëren van leerstoornissen, ASS en ADHD tot DCD, maar omvatten ook het ontwikkelen van onderzoeksmateriaal (voor o.a. articulatie en slikstoornissen).

De projecten kaderen in een samenwerking met verschillende universiteiten en hogescholen: Universiteit Gent, KU Leuven, University of Central Florida, Arteveldehogeschool Gent, HoGent, Thomas More, Artesis Plantijn, Vives en Howest (Hogeschool West-Vlaanderen).

Alle onderzoeksprojecten kaderen in de samenwerkingsovereenkomst van de wetenschappelijke werking van Sig met de Federatie van Centra voor Ambulante Revalidatie vzw.

Hieronder wordt per onderzoeksproject de stand van zaken weergegeven.

De verschillende onderzoeksprojecten leidden in de loop van 2017 tot deze wetenschappelijke bijdragen (artikels, postersessies, enz.).

>> Afgeronde projecten en onderzoeken 
 

Actuele onderzoeksprojecten

Vroege sociaal-communicatieve ontwikkeling van jonge kinderen met (verhoogd risico op) een autismespectrumstoornis
>> o.l.v. Petra Warreyn, Ellen Demurie, Sara Van der Paelt & Herbert Roeyers (UGent)

Dit project bestaat uit drie deelstudies:

Interventie: Onder leiding van Petra Warreyn werd een training van imitatie- en joint attention-vaardigheden uitgewerkt. Deze training werd in verschillende CAR op haar effectiviteit onderzocht, met positieve resultaten. In het najaar van 2015 werd deze training uitgegeven bij Sig (Zie wat ik zie, doe wat ik doe). Het onderzoek naar de haalbaarheid en werkzaamheid van het ImPACT ouderprogramma in de Vlaamse thuisbegeleidingsdiensten voor ASS wordt in 2018 verder gezet.

Regressie bij kinderen met ASS: Bij ongeveer één derde van de kinderen met ASS lijkt er sprake geweest te zijn van regressie in de vroege ontwikkeling (stagnatie of verlies van bepaalde vaardigheden). Wat deze subgroep van kinderen precies onderscheidt van andere kinderen met ASS, wat de regressie eventueel kan voorspellen en wat de prognose is van deze kinderen, is echter nog onduidelijk. Daarom onderzoekt Sofie Boterberg een groep kleuters en lagereschoolkinderen met ASS om de verdere ontwikkeling van kinderen met en zonder regressie in kaart te brengen. Het onderzoek wordt in de loop van 2018 afgerond. Op dit moment worden specifiek nog een aantal meisjes gezocht met een diagnose ASS van 4 t.e.m. 10 jaar oud. >> Meer info

Opvolging van baby’s met een verhoogd risico op ASS: De huidige ‘babystudie’, die broertjes en zusjes van kinderen met ASS opvolgt op de leeftijd van 5 tot en met 36 maanden, wordt afgerond. Kinderen die nog instapten in de studie worden verder opgevolgd, maar er worden geen nieuwe kinderen meer gezien. In samenwerking met de KU Leuven werd zeer recent een nieuwe, grootschalige studie opgestart: TIARA (Tracking Infants At Risk for ASD). Hierbij worden drie groepen kinderen opgevolgd: broertjes en zusjes van kinderen met ASS, vroeggeboren kinderen (zwangerschapsduur < 30 weken) en kinderen met hard-nekkige, idiopathische voedingsproblemen. De kinderen worden gezien op de leeftijd van 5, 10, 14, 24 en 36 maanden, met een uitgebreid protocol dat onder andere peilt naar taal, motoriek, gedrag, cognitie, sociale informatieverwerking, neurofysiologie, neurometabole en genetische factoren. Het is de bedoeling om in totaal ongeveer 500 kinderen te testen. Hiervoor worden dus nog veel deelnemers gezocht. Vooral voor de broertjes en zusjes van kinderen met ASS hopen we op de medewerking van de CAR te kunnen rekenen. Meer info op www.tiara-onderzoek.be

 

Het profiel van kinderen met leerstoornissen 
>> o.l.v. Annemie Desoete en Elke Baten (aOP typisch en atypisch leren UGent)

Dit onderzoeksproject gaat na welke predictoren typisch en atypisch rekenen voorspellen. Aanvankelijk werd ingegaan op de waarde van transactionele voorkeur en PCM (Process Communication Model). Hierover werd gerapporteerd in Signaal (nr. 99) en via een poster op een congres in Finland. Het PCM-onderzoeksluik wordt afgesloten met een studiedag op 15 maart 2018.

Momenteel wordt verder naar leren en leerstoornissen gekeken vanuit het Opportunity Propensity Model (Byrnes & Miller, 2009; Wang e.a., 2013). Dit model stelt dat rekenen afhangt van kansen (opportunities) en van propensity- factoren. Opportunity-factoren zijn kansen om tot ‘leren’ te komen, bv. wiskundeles/taalles. Propensity-factoren zijn kenmerken van een kind die een soort spons vormen om de aangeboden kansen te ‘absorberen’ en zo samen met de kansen te resulteren in leerprestaties, bv. intelligentie, werkgeheugen en persoonlijkheid. Hoeveel kansen kinderen gedurende hun leven krijgen en hoeveel kenmerken ze hebben die gunstig zijn om als een spons kansen te absorberen, hangt af van antecedente factoren, bv. sociaal-economische status. De eerste bevindingen hierover werden samengezet in 2017. In 2018 wordt het onderzoek verder gezet om na te gaan welke factoren op langere termijn van belang zijn. We zijn in dat kader nog altijd op zoek naar kinderen met dyscalculie (van 3de t.e.m. 6de leerjaar), die longitudinaal opgevolgd zullen worden. > Download de folder
 

Ontwikkeling van SKO (SpraakKlankOnderzoek) voor Vlaanderen (voorheen ArticulatieOnderzoek, AO-R)
>> o.l.v. Joris Vanopstal en Werkgroep AO-R (Arteveldehogeschool, HoGent, Thomas More, Vives, KU Leuven en UGent)

De werkgroep SKO werd in 2011 opgestart met de opdracht een nieuw Vlaams spraakklankonderzoek te ontwikkelen. Het nieuwe SpraakKlankOnderzoek (SKO) wordt een genormeerd, gestandaardiseerd en computerondersteund spraakonderzoek, dat zowel de fonetische als de fonologische aspecten van spraakproductie onderzoekt. In zijn uiteindelijke vorm zal het SKO ook argumenten aanbieden die de logopedist moeten toelaten om te differentiëren tussen de verschillende vormen van spraakklankstoornissen.

Het verzamelen van de normeringsgegevens zal in 2018 afgerond worden. Voor de ontwikkeling van het computerprogramma werd een partnerschap met ELIS UGent aangegaan. Het SKO zal aangeboden worden op het e-Health platform Asisto. Een beta-versie van de basistest wordt verwacht tegen eind 2018. Bijkomend worden de modules diadochokinese, inconsistentie, interdentaliteit en baseline [s] en [r] voorbereid.

 

Ontwerp van een slikprotocol bij kinderen en adolescenten met dystone cerebral palsy
>> o.l.v. Ingeborg Simpelaere (Vives) en Daisy Decoene (Gidts)

Dit onderzoek was een eerste stap in de ontwikkeling van een multidisciplinair onderzoeksinstrument voor kinderen en adolescenten met dyskinetische cerebral palsy. Op basis van de resultaten van het logopedisch, ergotherapeutisch en voedings- en dieetkundig onderdeel merken we dat bepaalde domeinen op zich al een relatief goede betrouwbaarheid kennen. Valkuilen voor een minder goede betrouwbaarheid waren onder meer: (1) de formulering van de items, en (2) de karakteristieke eigenschappen van de beoordelaars zelf (bv. objectiviteit van het meetmoment). Het huidige instrument is multidisciplinair, gezien de verschillende betrokken disciplines het kunnen hanteren. Bovendien werden de methodologie en resultaten steeds multidisciplinair besproken via interne adviesraden. Het multidisciplinaire karakter werd echter nog niet psychometrisch gestaafd. Dit viel buiten het kader van dit onderzoek. Het huidige instrument moet aan verdere verfijning en validering onderworpen worden via toekomstig onderzoek. Hiermee is deze pilootstudie afgesloten.
 

Actualisatie van testgebruik
>> o.l.v. Sig-intervisiewerkgroepen

De intervisiewerkgroepen van Sig zijn sinds enkele jaren ingeschakeld om na te gaan welke tests bruikbaar/beschikbaar of wetenschappelijk onderbouwd zijn om aan diagnostiek te doen t.a.v. dyslexie, dyscalculie, taalstoornissen en motorische stoornissen. Dit liep ook in 2017 verder.
 

Kijk in je brein: naar een beter begrip van bewegingsstoornissen
>> o.l.v. Tom Taymans (UGent)

Dit onderzoek vertrekt vanuit bevindingen uit de wetenschappelijke literatuur aangaande motorische stoornissen bij kinderen met DCD en ASS. Daaruit blijkt immers dat beide groepen overeenkomsten vertonen met betrekking tot hun motorische beperkingen, onder meer wat de coördinatie van bewegingen betreft, evenwichtsstoornissen en problemen met timing in bewegingen. Daarnaast werden bij beide groepen problemen vastgesteld met enkele cognitieve aspecten van bewegingsaansturing, zoals planning, werkgeheugen en cognitieve flexibiliteit. Aangezien alles wordt aangestuurd door het brein, leek het ons aannemelijk dat deze gebreken in bewegingscontrole ook zouden worden weerspiegeld in de hersenen van deze kinderen, meer bepaald in de organisatie van hersennetwerken. Zijn er enerzijds gemeenschappelijkheden in termen van structuur en functie van hersennetwerken bij kinderen met ASS en DCD? Kunnen we deze groepen anderzijds karakteriseren op basis van specifieke hersenstructuren en -activaties? Kunnen deze afwijkende structuur en functie worden gelinkt aan de slechtere scores op bepaalde tests die peilen naar de kwaliteit van bewegingsuitvoering? Kunnen we met behulp van netwerkanalyses een afwijkend patroon terugvinden in termen van globale en lokale efficiëntie, dat verder ondersteuning biedt voor enkele van de theoretische verklaringsmodellen die in het verleden werden geopperd voor de motorische disfuncties? Kan door het in kaart brengen van verschillende netwerken een link worden gevonden tussen structuur en functie? Op deze vragen wil deze studie een antwoord formuleren. In de loop van vorig jaar werd verder gewerkt aan de dataverzameling. Verwerking volgt.


Implementatie van ICF in de CAR
>> o.l.v. Jolien Veys en Greetje Desnerck, Howest

Het biopsychosociale model maakt een synthese tussen het medische en sociale model van gezondheid door het menselijk functioneren te beschouwen als een samenspel tussen biologische, individuele en sociale factoren. Het is dit model dat de Internationale Classificatie van het Menselijk Functioneren (ICF) ondersteunt. Internationaal en nationaal wordt er steeds meer belang gehecht aan dit model. Het is belangrijk ook in de sector van de CAR een omslag te maken van een eerder medisch model naar het biopsychosociale model.

Sig probeert via opleiding en informatie de CAR-sector mee te sturen in deze koerswijziging via vorming. In 2017 werd een vormingstraject in vijf niveaus uitgewerkt: (1) inleidende studiedag, (2) driedaagse workshop, (3) supervisiewerkgroep, (4) intervisiewerkgroep, en (5) coaching op de werkvloer. Concrete informatie over de vorming vindt u elders in dit activiteitenverslag.
 
Naast dit vormingstraject werd Sig ook actief betrokken bij het ICF-Lab-project van HoWest, begeleid door Jolien Veys en Greetje Desnerck. Dit project wil de leemte vullen m.b.t. de implementatie van ICF in Vlaanderen. Het doel van het ICF-Lab is organisaties (in eerste instantie Centra voor Ambulante Revalidatie) te begeleiden in het implementeren van ICF en het vertalen van good practices uit het buitenland naar Vlaanderen, met aandacht voor eventuele nodige aanpassingen aan de specifieke Vlaamse context. In de loop van 2017 verscheen het onderzoeksrapport van het verkennend onderzoek naar het gebruik en de implementatie van de ICF in de ambulante revalidatiesector. Ook in Signaal (nr. 101) werd hierover verslag uitgebracht.

 

Gezinsbeïnvloedingsprocessen bij kinderen met ADHD
>> o.l.v. Inge Antrop, Jan De Meulenaere en G. Lemmens (UZ Gent)

De uitkomst van ADHD wordt mee bepaald door het ontstaan van comorbiede moeilijkheden die vooral worden gemedieerd door de sociale omgeving van het kind. In het bijzonder werden hierbij conflictueuze ouder-kindrelaties uitvoerig beschreven, waarbij enerzijds de actieve betrokkenheid van ouders of anderzijds de passieve invloeden (bv. temperament) vanuit het kind werden onderzocht. Recent onderzoek in de verklaring van ouder-kindrelaties onderstreept meer en meer het belang van bidirectionele verklaringsmodellen, zoals het social relations model (SRM): ouders en kinderen worden hierbij beschouwd als gelijkwaardige partners in de ontwikkeling van hun relatie. Beiden zijn in de mogelijkheid om invloed op een ander uit te oefenen.

Het doel van deze studie is de wederzijdse gezinsbeïnvloedingsprocessen in gezinnen met ADHD gedetailleerd te onderzoeken, vergeleken met controlegezinnen (normaal, depressie) via de SRM-techniek. Bij bidirectioneel onderzoek gebruikmakend van deze techniek focust men op de 'actoreffecten' van ouders (bv. de mogelijkheid van de ouders tot beïnvloeding van kinderen), de 'partnereffecten' van kinderen (bv. de gevoeligheid van kinderen voor invloed van ouders), de 'actoreffecten' van kinderen (bv. de mogelijkheid van kinderen tot beïnvloeding van de ouders), de 'partnereffecten' van ouders (bv. de mate waarin ouders beïnvloedbaar zijn door kinderen) en alle relatie- en gezinseffecten. De SRM-techniek houdt aldus simultaan rekening met de persoonlijkheid van elk gezinslid, de specifieke relaties tussen elk gezinslid en de familiefactoren daarrond.

Tot op heden werd er nog geen onderzoek gepubliceerd dat bidirectionele processen bij gezinnen met een kind met ADHD in zijn totaliteit bestudeert. Nieuwe inzichten in de ouder-kindrelatie bij ADHD kunnen meer gerichte gezinsinterventies helpen ontwikkelen.

Oproep tot medewerking

Voor dit onderzoek zijn wij zowel op zoek naar klinische gezinnen (vader, moeder, jongere met ADHD en broer/zus zonder psychiatrische problemen, beide tussen 11 en 18 jaar oud) als naar controlegezinnen (vader, moeder, 2 kinderen tussen 11 en 18 jaar, zonder psychiatrische
problemen) die willen deelnemen.

Het onderzoek bestaat uit verschillende delen:

  1. Bij beide jongere(n) nemen we twee tests af: intelligentie-onderzoek en plannings- en concentratietest. Deze testafname duurt ongeveer 3 uur en gebeurt op de
    afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie van het UZ Gent.
  2. Bij de jongere met ADHD wordt ook een interview
    afgenomen. Dit duurt ongeveer 1 uur.
  3. Bij het gezin (vader, moeder, jongere(n)) worden vragenlijsten afgenomen die peilen naar kenmerken van het gezin (Hoe hecht is jullie gezin? Hoe beïnvloeden jullie elkaar? Hoe gaan jullie met elkaar om?). Het invullen van de vragenlijsten duurt ongeveer anderhalf uur en gebeurt thuis.

Alle verzamelde gegevens worden vertrouwelijk en gecodeerd verwerkt. Wie dit wenst, kan de resultaten van de tests die de jongeren afgelegd hebben (intelligentie-, plannings- en concentratietest) verkrijgen.

>> Download hier de folder voor ouders en jongeren

>> Geïnteresseerd om mee te doen? Meer info?  
Contacteer Inge Antrop (tel. 09 332 65 25) of het secretariaat van de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie UZ Gent (tel. 09 332 48 74)


Autismespectrumstoornissen tijdens de jongvolwassenheid: naar een theoretisch model van determinanten en uitkomsten van ontwikkelingstaken
>> o.l.v. Laura Mattys, Dieter Baeyens en Ilse Noens (KU Leuven)

Aan de onderzoekseenheid Gezins- en Orthopedagogiek van KU Leuven wordt onderzoek verricht naar de ontwikkeling van jongvolwassenen met autismespectrumstoornis (ASS). Dit onderzoek wil de verhalen en expertise van ervaringsdeskundigen samenbrengen, relevante thema’s identificeren en mogelijkheden voor een betere ondersteuning verkennen. Personen met ASS worden geconfronteerd met diverse uitdagingen wanneer ze de stap naar de volwassenheid zetten. In het bijzonder de overgang zowel van jeugdzorg naar volwassenenzorg als van het secundaire naar het hoger onderwijssysteem stelt hen potentieel voor grote uitdagingen. Eerder onderzoek suggereerde dat leeftijdsspecifieke begeleidingsprogramma's voor personen met ASS schaars zijn en dat meerdere beschikbare zorgprogramma's onvoldoende effectief zijn. Hierdoor is er in deze groep een groot risico op het hardnekkig blijven bestaan of zelfs verergeren van functionele en participatieproblemen.

Het doel van dit onderzoek is om de ontwikkeling van personen met ASS doorheen de jongvolwassenheid (17-25 jaar) beter te begrijpen, zodat de overgangszorg en -begeleiding beter aangepast kan worden aan hun noden. Een eerste kwalitatieve studie is afgerond, maar de manuscripten die daaruit voortvloeien zijn nog onder productie. Verder is het longitudinale vragenlijstenonderzoek opgestart en lopende tot 2019.

Participatie bij jonge kinderen met een ontwikkelingsvertraging/stoornis (vermoeden van ADHD en/of DCD en/of ASS)
>> o.l.v. Marieke Coussens, Dominique Vande Velde & Guy Vanderstraeten, UZ Gent

Betrokken zijn in het dagelijks en maatschappelijke handelen is een essentiële voorwaarde voor kinderen om te leren. Participatie is het proces waarin kinderen zich kunnen engageren in dagelijkse activiteiten in een betekenisvolle context. Door de opmars van het ICF ligt de focus in de hulpverlening op ‘het bevorderen of optimaliseren van participatie en kwaliteit van leven’ van kinderen en hun ouders. Praktijkervaring en onderzoek leren ons dat het niet evident is om participatiebevorderend te werken.

Uit grootschalig Amerikaans/Canadees onderzoek in de vroegbegeleiding blijkt dat slechts tussen de 0,4% tot 1,3% van de gegeven interventies zich richten op participatie, ook al is het belang van de focus op participatie bewezen. Jonge kinderen met een ontwikkelingsstoornis ervaren ook meer participatieproblemen. Omgevingsfactoren en persoonlijke factoren bepalen sterk hoe goed een kind al dan niet kan participeren. Hoe jonger het kind, hoe waarschijnlijker het is dat gelegenheden voor participatie bepaald worden door ouders en verzorgers. Wanneer jonge kinderen in een zo optimaal mogelijk omgeving opgroeien, is de prognose voor zowel het kind als de ouders gunstiger. Er is echter nog maar weinig onderzoek verricht naar participatie bij jonge kinderen, zeker niet als het niet om fysieke beperkingen gaat. Er zijn ook geen gegevens beschikbaar over hoe jonge kinderen zelf hun participatie beleven en invullen. Ook de noden en wensen van ouders van jonge kinderen zijn onvoldoende gekend. Nochtans geeft onderzoek aan dat ze een cruciale factor spelen in het bevorderen van de participatie mogelijkheden van hun kind.

Op deze thematiek wil dit onderzoek ingaan. Gegevens hierover zou het werkveld de nodige handvatten kunnen aanreiken i.f.v. het optimaliseren van participatie bij jonge kinderen met een ontwikkelingsstoornis zoals ADHD, DCD en/of ASS. De dataverzameling is gestart in het begin van 2017. >> Informed consent

 

Life balance bij jongeren: assessment en ontwikkeling van telecoaching
>> o.l.v. Daphne Kos, Niki Bulckmans, Sven Van Geel en Eric Schoentjes, Artesis Plantijn Hogeschool

In het najaar 2016 startte het projectmatig wetenschappelijk onderzoek rond ‘Life balance bij jongeren’. Life balance omvat het evenwicht dat personen ervaren in alle activiteiten en engagementen waarin ze betrokken (willen) zijn (zoals werk, school, gezin, sociaal leven, hobby’s). Jongeren met en zonder gezondheidsproblemenkunnen in de loop van het leven een verstoorde life balance ervaren, waardoor mogelijk bepaalde rollen (bv. medescholier, sportmaat) niet meer vervuld kunnen worden. Er is echter een gebrek aan assessment instrumenten om life balance in kaart te brengen bij jongeren. Bovendien is er weinig onderzoeksmateriaal over de strategieën die (ergo)therapeuten kunnen aanbieden om een goede life balance te vinden en te behouden. De ontwikkeling van mobiele applicaties ter ondersteuning van dienstverlening in de gezondheidszorg lijkt voornamelijk bij de groep jongeren zeer zinvol.

Het doel van deze studie is tweeledig: enerzijds wordt een assessment instrument ontwikkeld of aangepast voor het in kaart brengen van de life balance bij jongeren tussen 12 en 18 jaar met een psychiatrische problematiek of met cerebral palsy (CP) en gezonde controles. Daarnaast zal ook een interventie op basis van telecoaching ontwikkeld worden voor de optimalisatie van de life balance binnen deze groepen.

Momenteel worden een literatuuronderzoek en een conceptanalyse uitgevoerd. Door middel van interviews en focusgroepen worden er kwalitatieve gegevens verzameld om het concept life balance vanuit het perspectief van de jongeren beter te leren kennen. Op basis van deze informatie zal eind 2017 een meetinstrument ontwikkeld of aangepast worden.

Voor dit onderzoek zijn wij op zoek naar jongeren met een beperking (psychiatrische problematiek of CP) en zonder beperking, ouders van de jongeren en gezondheidswerkers uit diverse disciplines en settings om deel te nemen aan de interviews en focusgroepen.

Geïnteresseerd om mee te doen? Meer info? Contacteer Niki Bulckmans (tel. 03 220 32 12 ).

 

Hernormering van de BAB (Behavior Assessment Battery) voor Vlaanderen en Nederland
>> Martine Vanryckeghem, University of Central Florida, Orlando, USA

De Behavior Assessment Battery (BAB) voor kinderen en volwassenen is in 2001-2002 genormeerd voor een Nederlandstalige populatie en in 2003 gepubliceerd door Sig. Sindsdien staat de BAB op de limitatieve lijst van tests van het Riziv. Ondertussen is een herwerkte BAB-versie tot stand gebracht; een hernormering dringt zich dus op. Gezien de aangetoonde bruikbaarheid van en interesse voor de BAB in Vlaanderen en Nederland wordt in dit onderzoeksproject de hernormering gerealiseerd van de vernieuwde BAB. Contacten zijn al gelegd met de hogescholen VIVES, Thomas More en Artevelde om via bachelor studenten mee te werken aan de normering. In eerste instantie (2017-2019) komt de BAB voor volwassenen aan bod. Daarna (2018-2020) volgt de BAB voor kinderen.

 

 

Afgeronde onderzoeksprojecten


Hieronder een (chronologisch) overzicht van de afgeronde projecten en onderzoeken van de Adviesraad wetenschappelijk onderzoek:


Het opsporen van vermijdbare aandoeningen en probleemsituaties (Sentinel Health Events) via de registratie in de Centra voor Ambulante Revalidatie
>> o.l.v. Greetje Desnerck en Fred Louckx  (VU Brussel)

Er werden gegevens van Centra voor Ambulante Revalidatie in Vlaanderen verwerkt om na te gaan of er vermijdbare aandoeningen en probleemsituaties konden worden opgespoord die later eventueel vermijdbaar waren. >> Meer info over de resultaten in de doctoraatsscriptie van Greetje Desnerck
 

Behavior Assessment Battery (BAB): Actualisering en normering voor Vlaanderen
>> o.l.v. Gene Brutten en Martine Vanryckeghem (University of Central Florida)

De Behavior Assessment Battery (BAB), een test voor spreekvloeiendheidsstoornissen, werd voor Vlaanderen genormeerd. De testbatterij is uitgegeven bij Sig. >> Meer info en bestellen
 

Subtypering van kinderen met leerstoornissen
>> o.l.v. Joris Cracco

Er werd gezocht naar subtypering in leerstoornissen via het afnemen van een uitgebreide testbatterij van neuropsychologische tests bij achtjarige kinderen met een klinische diagnose leerstoornis. Het onderzoek werd om praktische redenen stopgezet.
 

De delay aversion-hypothese bij ADHD
>> o.l.v. Inge Antrop en Herbert Roeyers (UGent)

Dit onderzoek kaderde in de leertheoretische of motivationele conceptualisering van ADHD. Het gedrag van kinderen met ADHD lijkt immers zeer gevoelig te zijn voor omgevingsvariabelen. Dit onderzoek had als doel na te gaan of het hyperactief gedrag ook kan worden gerelateerd aan de delay aversion-hypothese. Hierbij wilde men nagaan welke (temporele of niet-temporele) factoren uit de omgeving het gedrag van het kind met ADHD bepalen. Daarnaast werd de vraag gesteld naar het onderscheid tussen de optimale stimulatie theorie en de delay aversion-hypothese als verklaringsmodellen voor ADHD. >> Meer info over de resultaten in de doctoraatsscriptie van Inge Antrop (beschikbaar in Sig-docudienst)
 

Metacognitie en rekenstoornissen
>> o.l.v. Annemie Desoete en Herbert Roeyers (UGent)

In dit onderzoek werd met behulp van de EPA2000 nagegaan of kinderen met en zonder rekenstoornissen verschillen op het vlak van cognitie en metacognitie. Dergelijke verschillen werden gevonden op groepsniveau. Ongeveer de helft van de kinderen met rekenstoornissen bleek een metacognitieve copathologie te hebben en uit te vallen wat betreft het correct kunnen voorspellen en evalueren (twee off-line metacognitieve vaardigheden). >> Meer info over de resultaten in de doctoraatsscriptie van Annemie Desoete (beschikbaar in Sig-docudienst)

 

Verband tussen rekenproblemen en spatiale disfuncties: Implicaties voor de validiteit van NLD
>> Jan Bachot, Herbert Roeyers en Wim Fias (UGent)

In dit onderzoek wilde men nagaan of er een verband is tussen rekenproblemen en visueel-ruimtelijke problemen. Het onderzoek werd om praktische redenen stopgezet.
 

Perspectiefnemingsvaardigheden bij kinderen met ASS
>> o.l.v. Sylvie Verté en Herbert Roeyers (UGent)

Er werd onderzocht of kinderen met autisme en ADHD van elkaar verschilden. Ook werd de link tussen executieve functies en symptoomgedrag van autisme en ADHD bestudeerd. >> Meer info over de resultaten in de doctoraatsscriptie van Sylvie Verté (beschikbaar in Sig-docudienst)
 

Ojemann-Wereldspel als diagnostisch instrument
>> Veerle Portael en Caroline Andries (VU Brussel)

Het wereldspel blijkt als diagnostisch instrument mogelijkheden aan te reiken om het functioneringsniveau van het kind te bepalen. Hierbij kunnen zowel cognitieve als sociaal-emotionele componenten naar voren komen. Het onderzoek werd om praktische redenen stopgezet.
 

Differentiatie en meerwaarde van de Dyslexie Screening Test (DST) voor kinderen met en zonder dyslexie
>> o.l.v. Mark Schittekatte (UGent)

Dit onderzoek werd uitgevoerd door de Facultaire Dienst Testpracticum van de UGent. De normering van de Dyslexie Screening Test (DST) is gebeurd voor Vlaanderen en Nederland. De Adviesraad wetenschappelijk onderzoek hielp mee aan het validiteitsonderzoek. Er blijken vier factoren te onderscheiden in de DST. Het onderzoek werd afgerond.
 

Kinderen met DCD: Diversiteit van hun beperkingen en de onderliggende mechanismen a.d.h.v. de beperkingen in het vangen van een bal
>> o.l.v. Hilde Van Waelvelde (UZ Gent)

Dit project bevatte een aantal studies rond balvangen en coördinatieproblemen bij kinderen. Er werd nagegaan hoe DCD kan worden opgespoord, welke problemen kinderen kunnen hebben op het vlak van timing en coördinatie van bewegingen, hoe de visuele perceptie hierin een rol kan spelen en wat de waarde is van de Movement Assessment Battery. >> Meer info over de resultaten in de doctoraatsscriptie van Hilde Van Waelvelde (beschikbaar in Sig-docudienst)
 

Psychologische effecten van een therapeutisch programma met assistentiedieren bij personen met een verstandelijke handicap: De companionable zoo-methode
>> o.l.v. Lieve Meers en F.O. Odberg (UGent)

Het project bestudeerde het effect van assistentiedieren op personen met een verstandelijke handicap, een meervoudige handicap, met gedragsstoornissen en comapatiënten. Er werd geopteerd om post-hoc analyses te doen op buitenlandse data en geen nieuw onderzoek in België meer op te starten, waarmee deze onderzoekslijn werd afgesloten.
 

Strategiegebruik, rekenvaardigheid en instructie bij aanvankelijk rekenen
>> Joke Torbeyns, Lieven Verschaffel en Pol Ghesquière (KU Leuven)

Het onderzoek bouwde voort op de theoretische en methodologische ideeën van P. Lemaire en R.S. Siegler over (het onderzoek naar) cognitieve strategieën. Met dit onderzoek wilde men de keuze, toepassing en ontwikkeling van aanvankelijk rekenstrategieën bij sterke en zwakke rekenaars uit het gewoon lager onderwijs en bij kinderen met gediagnosticeerde rekenproblemen uit het buitengewoon lager onderwijs type 8 nauwkeurig beschrijven in termen van Lemaire en Sieglers model of strategic change, rekening houdend met de aard van het genoten rekenonderwijs. >> Meer info over de resultaten in de doctoraatsscriptie van Joke Torbeyns (beschikbaar in Sig-docudienst) en dit artikel (Significant, 2004). 
 

Vlaamse aanpassing en normering van de schoolversie van de Vineland Adaptive Behavior Scales (VABS)
>> o.l.v. Bea Maes (KU Leuven)

De Vineland wordt steeds meer gebruikt om zicht te krijgen op de communicatie, dagelijkse vaardigheden, socialisatie en motoriek van kinderen en jongeren van drie tot twaalf jaar. De schaal wordt ingevuld op basis van een semi-gestructureerd interview met de ouders of leerkracht. Veel gehoorde kritieken op de VABS waren echter het niet aangepast zijn aan de Vlaamse situatie, het niet voorhanden zijn van Vlaamse normen en het onvoldoende gedifferentieerd zijn van de normen. Het onderzoek wilde tegemoetkomen aan deze lacune in het diagnostisch instrumentarium en werd hiermee afgerond. >> Meer info over de resultaten in dit artikel (Signaal, 2008)
 

Cerebellaire neurocognitie
>> Peter Mariën (U Antwerpen)

De doelstelling van dit project is een grondig inzicht te verwerven in de cognitieve disfuncties na verworven cerebellaire letsels bij kinderen en adolescenten. Men onderzocht dertig kinderen (tussen 2,5 en 16 jaar) met cerebellaire letsels die het risico lopen PFS te ontwikkelen (patiënten met tumoren van de achterste scheldelgroeve, cerebellaire traumata, vasculaire aandoeningen van het cerebellum en infecties van het cerebellum). >> Meer info over de resultaten in dit artikel (Signaal, 2007)

Onderzoek van de cliëntkenmerken geregistreerd
d.m.v. ICD-10 gedurende het eerste halfjaar van 2006

Dit onderzoek houdt de analyse van cliëntkenmerken in bij de Centra voor Ambulante Revalidatie. Het doel is na te gaan hoe vaak stoornissen en stoornisgroepen voorkomen en welke comorbide en geassocieerde stoornissen er optreden. De beperkte verwerking is afgerond in 2007. Dit vormde de aanzet voor de KCE-studie en werd daarmee ook afgesloten.
 

Ontwikkelingsproblemen bij heel jonge kinderen tot drie jaar
>> o.l.v. Mie Cocquyt (Hogent) en Inge Zink (KU Leuven)

Dit project wil een nieuw observatieschema ontwikkelen dat kan worden ingevuld op de leeftijden 3, 6, 9, 12, 15, 18, 21, 24, 30 en 36 maanden. Het is gebaseerd op de brochure Met te veel vallen en opstaan. Het gaat om het opvolgen van de mijlpalen en alarmsignalen op het vlak van grove motoriek, fijne motoriek, waarnemen, cognitie en spel, sociaal, emotioneel en communicatief gedrag, mondmotoriek en zelfstandigheid. Het onderzoek is om praktische redenen stopgezet.
 

Onderzoek naar ADHD en genetica: image studie
>> o.l.v. Dieter Baeyens en Herbert Roeyers (UGent)

Aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) kent een sterke genetische basis. Op gedragsniveau vertaalt zich dit echter in uiteenlopende symptomen, onder meer omdat ook omgevingsinvloeden een rol spelen. Frequent maakt dit geïndividualiseerde symptoombeeld het moeilijk om een diagnose ADHD te stellen en om ADHD van andere klachten te onderscheiden. Om een betrouwbaardere diagnostiek en op termijn gerichtere behandeling toe te staan, werd vanuit de VS een grootschalige studie opgezet in meerdere Europese landen, waaronder België. In de zoektocht naar genetische markers voor (symptoomclusters van) ADHD werden bloedstalen van honderden kinderen met ADHD, hun broer/zus en hun ouders verzameld. Voor een optimale vergelijking van de diagnose ADHD en de intelligentiebepaling werd voor het eerst in alle landen gebruikgemaakt van een gelijkaardige procedure, vragenlijsten, interview en neuropsychologische tests.
 

Onderzoek Denken + Doen = Durven
>> o.l.v. Susan Bögels en Loes Jongerden (Universiteit van Amsterdam)

Denken + Doen = Durven is een uitgewerkte cognitief-gedragstherapeutische behandelmethode, ontwikkeld voor de behandeling van angststoornissen bij kinderen en adolescenten van 8 tot 18 jaar. De behandeling bestaat uit twaalf bijeenkomsten met het kind, verspreid over ongeveer drie maanden. Bij enkele sessies zijn ook de ouders (gedeeltelijk) aanwezig. Er zijn ook drie sessies met de ouders apart. Er is een werkboek ter beschiking, zowel voor het kind als voor de ouders. Omwille van praktische problemen en beperktere interesse werd dit onderzoek stopgezet.
>> Meer info over de methode Denken + Durven = Doen
 

Onderzoek naar medicatie en dyslexie
>> Séverine Van de Voorde en Herbert Roeyers (UGent)

De doeltreffendheid van medicatie die werkzaam blijkt te zijn in de behandeling van kinderen met ADHD werd onderzocht bij kinderen met dyslexie, omdat deze op het cognitieve vlak een aantal gemeenschappelijke tekorten vertonen, waaronder een gebrekkig werkgeheugen en moeilijkheden met responsinhibitie. Het onderzoek is ondertussen afgerond. >> Samenvatting van de resultaten
 

Doelgroepen en evidence based behandeling in Centra voor Ambulante Revalidatie
>> o.l.v. het Federaal Kenniscentrum voor Gezondheidszorg en Sig i.s.m. UGent en UAntwerpen (Marijke Eyssen, Dirk Deboutte, Herbert Roeyers, John Van Borsel, Diana De Graeve en Jan Scheiris)

Dit onderzoek hield o.a. de analyse van cliëntkenmerken in bij de Centra voor Ambulante Revalidatie in Vlaanderen en Wallonië. Het doel was na te gaan hoe vaak en welke stoornisgroepen voorkomen en welke comorbide en geassocieerde stoornissen er optraden. Dit gebeurde op basis van het registratieproject van de Federatie voor Ambulante CAR, meer bepaald de gegevens verzameld in het eerste halfjaar van 2006.
>> Meer info over de resultaten in dit KCE-rapport
 

Taalpragmatiek bij zeer jonge kinderen
>> Mie Cocquyt en Inge Zink (KU Leuven)

Op basis van een Engels instrument werden drie vragenlijsten ontworpen om de alledaagse communicatie bij kinderen van zes maanden tot vijf jaar te objectiveren. De vragenlijsten werden genormeerd per leeftijdsgroep van twee maanden. Met deze lijsten is kwantitatieve en kwalitatieve analyse van pragmatische vaardigheden mogelijk. De Lijsten voor Evaluatie van Pragmatische Vaardigheden (EPVs) zijn eind 2010 verschenen bij Sig.
>> Meer info en bestellen
 

Onderzoek naar gedragsschommelingen bij ADHD
o.l.v. Dirk Deboutte, Herbert Roeyers, Inge Antrop en L. Imeraj (UGent)

ADHD is een aandachtsstoornis met hyperactiviteit en impulsiviteit en een heel wisselend karakter. Dit onderzoek wil duidelijkheid krijgen over de invloed van: (1) het tijdstip van de dag, (2) pauzes en overgangsmomenten, (3) klasstructuur/instructies, en (4) uitstelsituaties. De studie werd georganiseerd door de Vakgroep Psychiatrie en Medische Psychologie van de Universiteit Gent (Onderzoeksgroep Kinder- en Jeugdpsychiatrie), in nauwe samenwerking met de Vakgroep Experimenteel Klinische en Gezondheidspsychologie (onderzoeksgroep Ontwikkelingsstoornissen). 
 

Onderzoek naar de WPPSI-III
>> o.l.v. Mark Schittekatte en Emine Karanfil (Testpracticum UGent)

Omdat de bestaande versie van de WPPSI verouderd was, is een nieuwe versie ontwikkeld, de WPPSI-III. Van deze versie is een Nederlandstalige bewerking gemaakt door de Universiteit Maastricht. In een vooronderzoek zijn daarbij nieuwe vragen en opgaven gemaakt en is de definitieve tekst vastgesteld. De aanvullende normering voor +4-jarigen werd afgerond in februari 2010. Vanaf juni 2010 werd de WPSSI-III ter beschikking gesteld aan uitgeverij Pearson met een volwaardige Vlaamse normering.
 

Forum Kwalitatief Onderzoek Rekenproblemen
>> o.l.v. Annemie Desoete, Martin Valcke en Geert Van Hove (UGent)

Dit onderzoek wilde via een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve methodieken een zicht krijgen op de problemen van kinderen, jongeren en volwassenen met rekenproblemen. In 2009 werd de ervaring (impliciete kennis) van therapeuten geëxpliciteerd via focusgesprekken (in o.m. de intervisiewerkgroep Rekenstoornissen van Sig). Deze data werden verwerkt en uitgebreid in 2010. Daarnaast werd ook de impliciete kennis van therapeuten in privé-scholen onderzocht door studenten van de Arteveldehogeschool en Lessius Hogeschool. Ten slotte werd ook via kwalitatief onderzoek nagegaan of kinderen met dyscalculie ook problemen hebben op vlak van muziek aanleren (aan de UGent en in de Arteveldehogeschool). >> Meer info over de resultaten in dit artikel (Signaal, 2011)

Onderzoek naar de invloed van een vestibulaire disfunctie op de motorische prestatie van kinderen met een gehoorstoornis
>> o.l.v. Alexandra De Kegel en  Hilde Van Waelvelde (UGent en Arteveldehogeschool)

De doelstelling van dit onderzoek was het in kaart brengen van de oorzakelijke factoren voor de vertraagde motorische ontwikkeling en de evenwichtsstoornissen van kinderen met een gehoorstoornis tussen 4 en 12 jaar. Er werden 54 normaal horende kinderen en 30 kinderen met een gehoorstoornis onderzocht. De data werden verwerkt en het onderzoek is hiermee afgerond.
>> Samenvattend artikel (2014): De invloed van een vestibulaire disfunctie op de motorische prestatie van kinderen met een gehoorstoornis
>> Engelstalige versie van dit artikel
 

KiddyCAT: Stotterende kleuters tussen 3 en 6 jaar
>> o.l.v. Martine Vanryckeghem (University of Central Florida) en Sofie Vanrobaeys (UGent)

Onderzoek aan de hand van de Communication Attitude Test heeft aangetoond dat stotterende kinderen vanaf de leeftijd van zes jaar een spreekattitude vertonen die significant negatiever is in vergelijking met niet-stotterende kinderen. Omwille van dit verschijnsel werd een test ontworpen die toelaat te bepalen of het negatieve denkpatroon reeds aanwezig is van bij het ontstaan van het stotterprobleem. Deze test, de KiddyCAT (Vanryckeghem & Brutten, 2007) kan al vanaf de leeftijd van 3 jaar worden afgenomen. Onderzoek in de Verenigde Staten toont aan dat stotterende kleuters significant hoger scoren op de KiddyCAT (indicatief voor een negatieve attitude) in vergelijking met niet-stotterende kleuters. Dit wil zeggen dat de KiddyCAT potentieel heeft om te bepalen of de spreekgeassocieerde attitude van de stotterende kleuter afwijkt van die van de normaal vloeiende kleuter. In het kader van het psychometrisch onderzoek werd in dit project de test-hertestbetrouwbaarheid van de KiddyCAT nagegaan. Het onderzoek is hiermee afgerond. >> Meer info over de resultaten in dit artikel (2013)
>> Oproep Tourette en broddelen (2014)
 

Onderzoek naar de anamnese van meertaligheid
>> Hilde De Smedt en de Sig-intervisiewerkgroep Meertaligheid

In 2006 ontwikkelde de Sig-intervisiewerkgroep Meertaligheid de Vragenlijst Anamnese Meertalige Kinderen (AMK) om de anamnesegesprekken bij anderstaligen te optimaliseren. Aan de hand van dit onderzoek willen we nagaan hoe de anamnese bij meertaligen verloopt. Is de AMK geïntegreerd en hoe gebeurt dat of zijn er andere instrumenten? De bevraging hierover werd geïntegreerd in de studie van het Vlaams Forum voor Diagnostiek (VFD) en via een bachelorproef aan de KHBO in 2010-2011. Hiermee is dit onderzoek afgerond.
 

Onderzoek naar het gebruik van tests en de tevredenheid hierover in de diagnostiek bij kinderen en jongeren
>> o.l.v. Rudy Vandevoorde (KHBO), Sabine Van Dycke  (Arteveldehogeschool Gent) en Dieter Baeyens, Ellen Meersschaert, Ilse Smits en Kirsten Schraeyen (Lessius Antwerpen)

Het is van belang om goede tests/instrumenten te hebben voor een goede diagnostiek. In 2002 organiseerde het Vlaams Forum voor Diagnostiek een bevraging naar de tevredenheid in verband met de bestaande tests. In 2009-2010 liepen twee pilootstudies als voorbereiding op een nieuwe bevraging in 2010 (één aan het KHBO en één aan de Arteveldehogeschool). Op basis hiervan kwam een nieuwe bevraging tot stand waarvan de resultaten werden voorgesteld op het symposium van het VFD op 25 november 2011. Daarin kwamen de volgende domeinen aan bod: Persoonlijkheidstests, Klinische schalen, Outcome tests (effectmetingen), Gezins- en systeemtests, Intelligentie- en Ontwikkelingstest, Aandachtstests, Geheugen-tests, Motoriektests, Tests voor Executieve functies, Tests voor Visueel-ruimtelijke perceptie, Andere neuropsychologische tests, Algemene Taal-, Lees- en Spellingtests en vragenlijsten, Rekentests en Wiskundetests, Schoolvorderingentests, Leerling-volgsystemen en Studeertests, en Belangstellingstests.
 

Sociale kaart voor ADHD en leerstoornissen bij adolescenten en (jong)volwassenen
>> o.l.v. Dieter Baeyens, Annelies Aerts en Vera Janssens (Lessius Antwerpen)

Aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD), dyslexie en dyscalculie kennen een levenslang verloop. Adequate begeleiding na een betrouwbare en valide diagnostiek is van cruciaal belang om de cascade te doorbreken. Er werd een bevraging gedaan naar voorzieningen die een diagnostisch, behandelings- en ondersteuningsaanbod hebben voor adolescenten en (jong)volwassenen met ADHD en leerstoornissen. Sinds april 2011 staat de sociale kaart ADHD online.
 

Kleutervolgsysteem Kleuters veilig oversteken

De oorspronkelijke signaallijst werd in 1992 opgesteld door een Sig-werkgroep. Een tiental jaar later werd een normering opgesteld voor deze lijst. In 2003 werd alles in een handzaam instrument gegoten tot een nieuwe signaallijst, het volgsysteem Kleuters veilig oversteken. De handleiding kwam er in 2004. Er kwam in 2011 een vraag om de verwerking te digitaliseren, maar hierop werd uiteindelijk niet ingegaan.
 

Registratie van problemen op basis van ICD-10

De ‘objectieve’ registratie van cliëntkenmerken van personen die ambulante revalidatie volgen gebeurt momenteel vanuit de ICD-10. De Vlaamse Centra voor Ambulante Revalidatie begonnen hier in 2002 spontaan mee om hun doelgroepen beter in kaart te kunnen brengen als element van hun strategische positionering in de gezondheidszorg. Ondertussen is dit een verplicht onderdeel in hun jaarverslag voor het VAPH. Vanuit Sig is een online helpdesk geïnstalleerd. Problemen met de registratie worden geïnventariseerd en eventueel in detail bekeken in een vorming voor codeerders. Daarbij wordt de link gelegd naar de ICF als noodzakelijk complement voor de ICD-10 (handelingsgerichte, dimensionele diagnostiek als onontbeerlijk element naast de categoriale diagnostiek).
>> Download hier het online CASUSBOEK ICD-10 (Word-2007 versie of PDF versie)
 

Onderzoek met Clinical Evaluation of Language Fundamentals (CELF-IV)
>> o.l.v. Marleen D'hondt (Arteveldehogeschool), Mark Schittekatte (UGent) en Willem Kort

Het doel van dit onderzoek was een test voor Vlaanderen en Nederland te normeren om taalproblemen bij kinderen en volwassenen op een valide en betrouwbare manier op te sporen. De efficiëntie van de test is nagegaan bij normaal begaafde kinderen (2,5 - 10 jaar) met een taalprobleem (zonder bijkomende comorbide stoornissen zoals ADHD) door de CELF-IV en de TVK (Taaltest Voor Kinderen) en/of RTOS (Reynell Taalonwikkelingsschalen) af te nemen van deze doelgroep. De normering en het onderzoek bij klinische groepen gebeurde in een samenwerking tussen de Arteveldehogeschool en de Universiteit Gent. >> Meer info over de resultaten in dit artikel (Signaal, 2008)
 

Inventarisatie van het hulpverleningsaanbod bij kinderen met ADHD
>> o.l.v. Inez Buyck en Roeljan Wiersma (UGent)

Voor dit onderzoek werd in 2009 een bevraging opgesteld voor hulpverleners en ouders op basis van internationale literatuurgegevens. De bevraging bestond uit een aantal onderdelen: algemene vragen over de betrokken hulpverleningsdiensten/ gezinnen, vragen over medicatiegebruik en neurofeedback, maar ook over psychosociale interventies, verder onderverdeeld in vragen over interventies die gericht zijn op het kind met ADHD, de ouders en hulpverleners/leerkrachten. In de loop van 2010 werd een voorstudie uitgevoerd bij mensen die zich inschreven voor de vorming i.v.m. ADHD. >> Meer info over de resultaten in dit artikel (Signaal, 2012)
 

In beeld: kinderen, jongeren en jongvolwassenen met een beperking of stoornis
>> o.l.v. Annemie Schepens en Kim Maes (Howest)

Beeldmateriaal over en getuigenissen van kinderen, jongeren en jongvolwassenen met een beperking of stoornis zijn zeldzaam. Deze informatie van inhoudsdeskundigen is echter heel waardevol om de psycho-educatie ten aanzien van deze doelgroep vulling te geven. Via dit onderzoek wil men hieraan meewerken door een portaalsite te ontwikkelen waar de getuigenissen van kinderen, jongeren en jongvolwassenen met een beperking of stoornis centraal staan, met links naar andere waardevolle sites of bronnenmateriaal met bijkomende informatie of vormen van ondersteuning. Het uitgangspunt is dat er veel goede informatiebronnen over alle mogelijke beperkingen of stoornissen voorhanden zijn. Bij het uitwerken van het prototype van de portaalsite werkte men met een gebruikersgroep. Dit onderzoek leidde tot een studiedag in 2012. >> De website is ondertussen online: www.zoalsik.be
 

Vroege voorspellers van rekenproblemen en atypisch rekenen
>> o.l.v. Annelies Ceulemans, Daisy Titeca, Annemie Desoete & Herbert Roeyers (UGent)

Deze onderzoekslijn bestaat uit twee delen: een deel over vroege voorspellers van rekenproblemen (o.l.v. Annelies Ceulemans) en een deel over atypisch rekenen (meer in het bijzonder over autismespectrumstoornissen) (o.l.v. Daisy Titeca).

Wat betreft het eerste luik verdedigde Annelies Ceulemans op 17 november 2014 haar doctoraatsproefschrift. Het onderzoek toont de meerwaarde aan van het aandachtig zijn voor kleine hoeveelheden op peuterleeftijd voor het kunnen tellen als kleuter later. Verder blijkt het stimuleren van peuters (in spelsituaties) samen te hangen met het later goed kunnen oplossen van eenvoudige optel- en aftreksommen door kleuters. Het is van belang om als ouder een gedoseerde of gematigde stimulatie te voorzien, zonder hierin te overdrijven. Ten slotte is ook het omgaan met kleine hoeveelheden bij adolescenten met dyscalculie onderzoek. Het onderzoek is hiermee afgerond.

Nog op 17 november 2014 verdedigde Daisy Titeca haar doctoraatsproefschrift over rekenvaardigheden bij kinderen met ASS. Het onderzoek toont aan dat de rekenvaardigheden van hoogfunctionerende kinderen met ASS vrij gelijk zijn aan deze van typisch ontwikkelende leeftijdgenoten. Toch is vastgesteld dat kinderen met ASS meer moeite lijken te hebben met het aanbieden van nieuwe of complexe leerstof en dat verbaal subitizeren in de kleuterklas een sterkere voorspeller vormt voor latere rekenvaardigheden dan bij typisch ontwikkelende kinderen. Ook dit onderzoek is hiermee tot een einde gekomen.
 

De effecten en werkingsmechanismen van (neuro)feedbacktraining bij kinderen met ADHD
>> o.l.v. Inez Buyck en Roeljan Wiersema (UGent)

Neurofeedback is een training waarbij personen via operante conditionering leren hun arousal-toestand te reguleren, wat verondersteld wordt de symptomen te reduceren. In dit onderzoek worden de effecten en werkingsmechanismen van feedback over hersenactiviteit of spierspanning nagegaan bij gemiddeld begaafde kinderen van 7-12 jaar met ADHD. Er wordt gewerkt met kinderen die op een wachtlijst staan voor verdere behandeling van ADHD. Ze worden gedurende 30 sessies van 45 minuten getraind. De week voorafgaand aan de trainingen worden een aantal vragenlijsten meegegeven aan de ouders, het kind en de leerkracht. Tevens neemt men een EEG af. In die periode mag geen medicatie worden gebruikt. Tijdens de training krijgen kinderen feedback op een computerscherm over wat er in hun hoofd gebeurt, waardoor ze leren om hun gedrag aan te passen in de gewenste richting. De helft van de kinderen krijgt feedback over hersenactiviteit (neurofeedback), de andere helft krijgt feedback over spierspanning (EMG). Tijdens de behandeling kan de gebruikelijke medicatie verder worden gebruikt. De week na afloop van de trainingscondities voert men dezelfde metingen, zes maanden later nog eens (nameting). In de loop van 2014 werden de laatste nametingen uitgevoerd. Voortvloeiend uit het onderzoek werden drie masterproeven ingediend. Het onderzoek is hiermee afgerond.

 

Procesgerichte diagnostiek van spellingsproblemen
>> o.l.v. Christel Van Vreckem,  werkgroep leesstoornissen en Annemie Desoete (AHS & UGent)

In deze onderzoekslijn werd een Vlaamse spellingtest ontwikkeld. Het gaat om een instrument waarmee zowel aan beschrijvende als aan handelingsgerichte/ begeleidingsgerichte diagnostiek kan worden gedaan. Deze test speelt in op de nood aan een nieuwe, handelingsgerichte en vooral Vlaamse spellingstest. Hij is bedoeld om de spellingvaardigheid van kinderen van het eerste tot en met het zesde leerjaar te meten, zowel voor het spellen van bestaande woorden als pseudowoorden. Op basis daarvan kunnen kinderen met spellingproblemen opgespoord worden. De dictees zijn zo opgebouwd dat een uitgebreide foutenanalyse tot een aanpak op maat van het kind leidt. Sinds december 2016 is de nieuwe spellingtest op de markt (uitgegeven door Academia Press). Dit onderzoeksproject is hiermee afgerond.

 

Sig vzw - Pachthofstraat 1 - 9308 Gijzegem
tel. 053 38 28 18 - fax 053 38 28 19 -