Abstracts

Symposium Insigt in gedragsproblemen - 6 mei 2010 - Antwerpen
Programma

Wanneer is 'goed' ook 'goed genoeg'? (prof. dr. Stefan Ramaekers)
Weinig is wat het lijkt … (prof. dr. Annik Lampo)
Omgaan met gedragsproblemen in de praktijk (dr. Dieter Baeyens)
Gedragsproblemen: medicatie als behandeloptie? (dr. Peter Emmery)
Jong geleerd is oud gedaan! (dr. Lieve Swinnen)

 

Wanneer is 'goed' ook 'goed genoeg'? Enkele kanttekeningen bij de verwetenschappelijking van de ouder-kindrelatie  (prof. dr. Stefan Ramaekers)

Van ouders wordt vandaag veel verwacht als het op de opvoeding van hun kinderen aankomt. Opvoeden is niet meer gewoon ‘er zijn voor je kinderen’, maar is bovenal ‘dingen doen’ die met opvoeding te maken hebben. Ouders worden opgeroepen zich actief met de opvoeding in te laten, zich te informeren door bijvoorbeeld de juiste boeken te lezen, informatie- en vormingsbijeenkomsten bij te wonen, naar websites te surfen of opvoedingsadvies op te zoeken. Op die manier moeten ze altijd en overal ‘gepast’ weten te reageren en in te spelen op wat hun kinderen doen en ‘gepast’ met hen weten om te gaan. Ze moeten dit eigenlijk niet slechts eenmaal of een paar maal doen, maar voortdurend. Want er is altijd wel een nieuw boek over (bijvoorbeeld) hoe omgaan met je puber, of een nieuw onderzoek over (bijvoorbeeld) effectieve manieren om de tafelmomenten aangenamer te maken, of een nieuw inzicht in (bijvoorbeeld) het gedrag van jonge kinderen, of … Ouders worden zo aangemoedigd zichzelf te zien in een functionele rol en hun ouderschap als een taak, een job te benaderen, als iets waarvoor ze zich, als het ware, kunnen professionaliseren, gedragen door de laatste wetenschappelijke inzichten. We kunnen dit de verwetenschappelijking van de ouder-kindrelatie noemen: net zoals een aantal andere domeinen van het menselijke leven is nu ook opvoeden opgenomen in het project van de wetenschap. Een goede ouder zijn vandaag betekent een deskundige ouder zijn. Een belangrijke ontwikkeling hierin is wat we de ‘orthopedagogisering’ van de ouder-kindrelatie kunnen noemen. Van ouders wordt verwacht dat ze een orthopedagogische kijk ontwikkelen, waarin het herkennen van risicofactoren, bijzondere kenmerken, enz. centraal staat, met als doel eventuele stoornissen snel te kunnen signaleren en vroegtijdig ingrijpen mogelijk te maken. Dit alles heeft o.m. tot gevolg dat opvoeden vandaag nog slechts op een enge wijze ter sprake wordt gebracht, nl. uitsluitend in termen van het omgaan met problemen en moeilijkheden, en in termen van vaardigheden en deskundigheid. Bovendien dreigen ouders te vervreemden van hun eigen ouderschap. Het werkt bij ouders immers een houding in de hand van voortdurende alertheid voor mogelijke kansen, risico’s en tekorten in ontplooiingsmogelijkheden. De vraag is of ouders in die optiek nog wel echt met hún kind bezig zijn. Ze lijken veeleer bezig te zijn met het kind dat door een bepaald soort van samenleving gewenst is. De deskundige ouders is in zekere zin blind, omdat hij alleen nog maar ziet in ‘zijn’ kind wat hij vanuit bepaalde kaders aangereikt krijgt (DSM-categorieën, gezondheidswebsites, gidsen over opvoeding, enz.). Pedagogische verantwoordelijkheid wordt hierbij dan eng opgevat (als pedagogische aansprakelijkheid, als verantwoordelijkheid voor het voldoen aan de eisen van deskundigheid), waardoor – hoe paradoxaal dat ook moge klinken – het pedagogische van het opvoeden in zekere zin verloren dreigt te gaan.

Weinig is wat het lijkt … Of hoe verstoord gedrag bij kinderen ons verder moet leiden (prof. dr. Annik Lampo)

In een samenleving waarin de tendens bestaat alles te labelen, te klasseren en af te bakenen, een maatschappij waarin de behoefte bestaat over gebruiksklare protocols te beschikken met de richtlijnen over wat, wanneer en hoe hulp moet worden verleend is dit een bijzonder moeilijk gegeven. Deze tendens, mede geïnspireerd door de nood aan veiligheid, zorgt voor verenging en lineair denken. Er is in dit vak echter niet één oorzaak en één gevolg, er is het hele nature-nurture verhaal, de samenhang van alles en vooral de verscheidenheid "achter" het verstoorde gedrag. Genetica, neurofysiologie, context, life-events en de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt, àlles beïnvloedt en kleurt wat we zien. Ook objectiviteit, de authenticiteit en het engagement van de hulpverlener spelen een rol. En zo belanden we uiteindelijk bij onszelf… Hoe beïnvloeden wij zèlf wat we zien? We zien immers wat we best kennen. Vaststelling van "verstoord" gedrag moet ons dus verder leiden, weg van het gedrag, weg van één focus en gericht op alles wat mee bepaalt wat we (denken) te zien. Triest zijn is geen depressie, bang zijn is geen angststoornis en een originele eenzaat is geen kind dat lijdt aan autisme. Durven twijfelen, zien, horen, denken, voelen en doen is regel in dit vak waar uiterlijkheden en gedrag ons dikwijls op het verkeerde been dreigen te zetten. Naast kennis en professionalisme die elk reductionistisch denken weert, moeten ook onze communicatieve vaardigheden ons verder leiden om de boodschap correct over te brengen met de overtuigingskracht waardoor verandering begint en behandeling meer kans op slagen heeft. Weinig is wat het lijkt… of hoe alles voor elkeen anders is en waarheden verschillen.

Omgaan met gedragsproblemen in de praktijk: het bos en de bomen (dr. Dieter Baeyens)

Een hulpverlener zal op basis van een hulpvraag met de cliënt en zijn/haar omgeving op zoek gaan naar het best passende zorgaanbod. Internationaal werden richtlijnen opgesteld over welke hulp het meest geïndiceerd is in geval van gedragsproblemen en gedragsstoornissen zoals de oppositioneel opstandige gedragsstoornis (ODD), de antisociale gedragsstoornis (CD) en de aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD). Dergelijke richtlijnen vertrekken vanuit de sterkste onderzoeksevidentie, de vereiste expertise van de hulpverlener en de wensen en verlangens van de cliënt. Een kritische analyse van de centrale inzichten uit deze richtlijnen vormt de basis van de lezing. Ten eerste blijkt dat een effectieve behandeling slechts mogelijk is wanneer deze aansluit op een wetenschappelijk onderbouwde diagnostiek. In deze lezing bekijken we enerzijds de diagnostische vereisten in geval van probleemgedrag en anderzijds hoe de vertaling naar de gewenste interventies moet worden gemaakt. Ten tweede omvat de behandeling noodzakelijkerwijze een geïntegreerde aanpak: na een grondige psycho-educatie moeten zowel de cliënt als zijn/haar omgeving (ouders, school, peers) worden betrokken in langdurige en meervoudige psychosociale en psychotherapeutische interventies. In deze lezing willen we de puntjes op de i zetten: Welke interventies toonden al hun effectiviteit aan? Onderscheiden we modetrends in de zorgsector waarvan we beter veraf blijven of waarop we net gretig moeten inspelen? Kunnen we een ontwikkelingsdimensie onderscheiden in dergelijke richtlijnen? Ten slotte geven we aanreikingspunten hoe we de noodzakelijke ingrediënten van een wetenschappelijk verantwoorde behandeling van probleemgedrag in de praktijk kunnen omzetten. 

Gedragsproblemen: medicatie als behandeloptie? (dr. Peter Emmery)

Gedragsproblemen dekken een zeer brede lading en kunnen wijzen op zeer diverse onderliggende moeilijkheden. Onderzoek wijst uit dat niet-farmacologische interventies primair zijn voor gedragsproblemen. In een aantal gevallen kan medicatie een onderdeel van de behandeling vormen. In het algemeen kan worden gesteld dat er weinig grondige wetenschappelijke onderbouw is voor het inzetten van medicatie bij gedragsstoornissen. Vooraleer de stap naar medicatie wordt gezet, dient steeds een correcte afweging te gebeuren. De uiteindelijke keuze van medicatie wordt in belangrijke mate bepaald door onderliggende of comorbide problematiek. Soms is medicatie in urgente situaties en kortdurend aangewezen, soms kan langerdurende farmacotherpie noodzakelijk zijn. Diverse indicaties worden overlopen, evenals effecten en nevenwerkingen van medicatie. Keuzes die worden gemaakt, kunnen ook verschillen in functie van leeftijd. Waar mogelijk wordt gerefereerd naar evidence based richtlijnen of best practices.

Jong geleerd is oud gedaan! Hoe ouders en opvoeders agressief gedrag kunnen voorkomen, beperken en sturen (dr. Lieve Swinnen)

Opvoeding speelt wel degelijk een rol in het ontwikkelen van gedrag. Naast aanleg (temperament, beperkingen, stoornissen) zijn omgevingsfactoren medebepalend: de omgeving in enge zin (gezin, familie) en de omgeving in ruimere zin (school, maatschappij). In het ontstaan van gedragsproblemen is er zelden één oorzaak. Het is een proces waarbij talrijke invloeden meespelen en interacties tussen ouder/omgeving en kind het verdere verloop bepalen. Wat is de rol van opvoeding? Wat zijn haar mogelijkheden/grenzen? Wie is verantwoordelijk? Hoe kan je ouders/leerkrachten/opvoeders ondersteunen? Via veel casussen proberen we in deze lezing de sterkte van opvoeders te benadrukken, de valkuilen te herkennen en de mogelijkheden qua ondersteuning in die opvoedingstaak te ontdekken.